Johann Tetzel (1465-1519), aflaatprediker in Duitsland. Hoewel hij een geestelijke is, een Dominicaner monnik, heeft hij twee kinderen. Hij reist het hele land door om – in opdracht van de paus en aartsbisschop Albrecht van Mainz – aflaten te verkopen. Hij komt ook in de omgeving van Wittenberg, waar Luther de negatieve gevolgen onder ogen ziet. De bijbelse leer van de boete ziet Luther hier in gevaar komen.
Een aflaat is een door de kerk verleende kwijtschelding van tijdelijke straffen voor zonden die in de biecht beleden en vergeven zijn. Een uitwas is te zien in de aflaathandel (zoals die van Tetzel), waarin zogenaamde aflaatkramers met toestemming van de bisschop tegen een geldelijke vergoeding aflaten verlenen aan gelovigen. De opbrengsten worden vaak aangewend voor de bouw van kerken, maar hier geldt een geheime afspraak met Albrecht van Mainz. De aflaatpraktijk is door alle reformatoren alsook door enkele denkers uit de late middeleeuwen (Geert Grote, Erasmus) afgewezen.
Beroemd zijn Tetzels woorden ‘Sobald das Geld im Kasten klingt, die Seele in den Himmel springt’. Tetzel wordt later berispt door zijn kerkleiding. Maar in 1518 wordt hij in Frankfort aan de Oder gepromoveerd tot doctor in de theologie vanwege zijn verdediging van de aflaten. Zijn niet onbesproken leven eindigt in Leipzig, 11 augustus 1519.