René Descartes (Latijn: Cartesius), geboren in Frankrijk (1596), en opgevoed aan een Jezuïetenschool, heeft zich als wiskundige tijdens zijn militaire carrière (o.a. in Nederland) ontwikkeld tot een groot denker. In 1637 komt in Holland zijn eerste grote werk uit: Discours de la Méthode pour bien conduire sa raison, et chercher la vérité dans les sciences, ofwel: Verhandeling over de methode om de rede op de juiste manier te leiden en de waarheid in de wetenschappen te zoeken.
Hij staat daarmee aan de wieg van het rationalisme, d.w.z. dat hij de ratio (d.i. de rede, ofwel het gezond verstand) als belangrijkste in het menselijke leven acht. Het is de laatste zekerheid. Zijn twijfel overwint hij door de stellen: Cogito, ergo sum, d.w.z. Ik denk, dus ik besta. Omdat Descartes een rationeel godsbewijs ontwikkelt en weinig op heeft met kerkelijke tradities, voeren veel theologen een verbeten strijd tegen hem en zijn volgelingen, de cartesianen. Onder hen neemt de gereformeerde Gisbertus Voetius een belangrijks plaats in.
Op uitnodiging van koningin Christina van Zweden reist Descartes in 1649 naar Stockholm, waar hij in 1650 overlijdt. De strijd tussen voor- en tegenstanders van het cartesianisme blijft nog jarenlang voortduren.