In 1572 worden negentien katholieken (zeventien priesters en twee lekenbroeders) uit Gorcum, een stad die de geuzen in de zomer van 1572 innemen, door de watergeuzen opgepakt – ondanks de toezegging van geloofsvrijheid door de bezetters. Om escalatie te voorkomen, worden de negentien naar Den Briel gebracht, waar ze – nadat hun tevergeefs is gevraagd hun katholieke geloof af te zweren – geëxecuteerd worden.
Later zijn deze martelaren zalig verklaard. De plaatsen die aan de negentien martelaren van Gorcum herinneren zijn bedevaartsoorden geworden. Vooral Willem van Oranje was een tegenstander van dit harde optreden van de geuzen, maar hij ging wel een alliantie met ze aan. Ook in andere veroverde steden rekenen de geuzen af met de plaatselijke geestelijkheid.