Erasmus publiceert, na een eerste in 1516, een tweede uitgave van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament. Het bevat ook een nieuwe Latijnse vertaling, inclusief uitvoerige inleidingen en aantekeningen. Bij het vaststellen van de juiste tekst vergelijkt Erasmus de verschillende handschriften: hiermee is hij de eerste tekstcriticus (niet te verwarren met Schriftkritiek). Luther zou aan de hand van deze uitgave het Nieuwe Testament in het Duits vertalen.
Op sommige cruciale punten wijkt Erasmus’ tekst af van de kerkelijke traditie. Zo vertaalt hij een woord uit Mattheüs 3:2 niet met ‘boete doen’, maar ‘berouw hebben’.
Helaas voor Erasmus kan hij in geen enkel handschrift de laatste zes verzen van Openbaring vinden. Hij lost dit handig - maar niet wetenschappelijk - op door deze verzen vanuit het Latijn zélf te vertalen naar het Grieks.