Taaie middeleeuwse begrafenisgebruiken

12-05-2012

Middeleeuwse begrafenisgebruiken bleven in soms bewaard na de Reformatie, hoewel de Reformatie zelf een fundamentele verschuiving betekende van het verstaan van het sterven en het persoonlijk heil. Dat blijkt uit een lezing van prof. Vanessa Harding uit Londen op de tweede dag van de  RefoRC-conferentie in Oslo.

Prof. Harding, specialist op het gebied van de geschiedenis van begrafenisgebruiken, sprak over persoonlijke en politieke kanten van begrafenissen, en de invloed van de Reformatie daarop. In de Middeleeuwsen structureerden liturgische voorschriften en sociale gebruiken samen de begrafenisrituelen. Voorbeelden van sociale gebruiken die door de kerk werden toegestaan: klokgelui, een processie met de dode naar de kerk, en eten en drinken rondom de begrafenis. Daarnaast maakte de plaats waar het lichaam van de dode in de kerk werd geplaatst, ook verschil: dichter bij het altaar werd beter gevonden, en was dus duurder.
De Reformatie betekende een breuk met de Middeleeuwse gewoonten: de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze betekende immers dat geen mens ook maar iets kan bijdragen aan zijn eigen redding. Welke plaats iemand, eenmaal overleden, in de kerk kreeg, betekende dan ook niets meer, naar reformatorisch verstaan. Bovendien wezen de reformatoren de gedachte van het vagevuur af, waardoor gebed en diensten voor de doden zinloos werden. Deze afschaffing van herinneringsdiensten leidde wel tot een toenemende behoefte aan tastbare herdenkingstekens.

Toch overleefden veel oude begrafenisgewoonten de Reformatie. Harding beschouwt dit als een aanwijzing dat deze rituelen belangrijk werden gevonden, niet enkel uit conservatisme, en dat het geestelijke aspect ervan niet het belangrijkste was.
Zo bleef het luiden van klokken bewaard in en na de Reformatie, al probeerde men wel om bijgelovig verstaan ervan te dempen. Ook de gewoonte dat het luiden van grotere klokken duurder was dan dan het luiden van kleiner overleefde. Zo kon men immers horen wat de sociale en financiële positie van de overledene was.
Uit liefdadigheid én als teken van status, werden bij de begrafenis van rijken ook armen uitgenodigd, vaak net zo veel als de rijke in jaren oud geworden was. Omdat het er echter niet altijd ordelijk aan toe ging, werd dit gebruik ook weer verlaten.

Ter vergelijking belichtte Harding ook het Rooms-katholieke Frankrijk, waar de protestantse Hugenoten gediscrimeerd werden door de machthebbers. Zij wilden graag de begraafplaatsen van hun voorouders blijven gebruiken, maar mochten dat vaak niet meer. Zij werden integendeel verwezen naar begraafplaatsen voor armen en plaaglijders, waar zij ook nog eens enkel op ongebruikelijke momenten mochten begraven. Omdat men Hugenoten als ketters beschouwde, werd grafschennis niet alleen als geoorloofd gezien, maar zelfs, bijgelovig, als een uitdrijving van kwade krachten.

Prof. dr. Tarald Rasmussen, hoogleraar kerkgeschiedenis in Oslo, sprak over het gebruik van vergelijkende methoden in de studie van de Reformatie. Te lang was er een soort kokervisie: wetenschappers uit bijvoorbeeld Denemarken bestudeerden wel de kerkgeschiedenis van hun eigen land, maar er vond nauwelijks vergelijking plaats van de historische processen in de vergelijkbare landen als Noorwegen of Zweden, terwijl er wel degelijk parallellen te vinden zijn. Zelfs als er verschillen zijn, zijn vergelijkingen interessant.
Rasmussen ging de discussie aan met geleerden die menen dat elke individuele beweging uniek was, en dat daarom vergelijkende wetenschap weinig bij te dragen heeft. Hoe uniek ook, de geschiedenis van een individu of land vindt altijd in een context plaats. Waarin een verschijnsel of land uniek is, kan dus enkel in vergelijking duidelijk worden.

In een kortere bijdrage ging prof. dr. Erik de Boer in op Calvijns laatste jaren. Sommige onderzoekers menen dat Calvijn zich in het openbaar voorbereidde op zijn dood door zichzelf als profeet neer te zetten. Calvijns afgescheidstoespraak naar oudtestamentisch voorbeeld gemodelleerd zijn. Bovendien zou zijn zijn wens om in een eenvoudig graf, zonder steen, begraven te worden, er op wijzen dat Calvijn zichzelf als een profeet als Mozes zag, van wie immers ook geen graf bekend is. De Boer ging kritisch op dit soort gedachten in, omdat het in die tijd ongebruikelijk was om een steen op het graf te plaatsen. Ook blijkt uit De Boers onderzoek naar Calvijns uitleg van het bijbelboek Jozua, waar hij tegen het eind van zijn leven mee bezig was, niet dat Calvijn zichzelf allereerst als profeet verstond. Wel valt er uit op te maken dat Calvijn zichzelf als stervende leider zag.

Tekst: Arnold Huijgen.

Foto: Tarald Rasmussen, hoogleraar aan de Universiteit van Oslo.


Nieuwsbrief

    Na het registreren kunt u kiezen uit de volgende nieuwsbrieven:

    - Refo500 Academic Newsletter
    - Refo500 Nieuwsbrief Nederlands
    - Refo500 Nieuwsbrief Engels
    - Refo500 Nieuwsbrief Duits

  • Werk uw registratie bij