Luister
‘...Gott hat unser Herz und Gemüt fröhlich gemacht durch seinen lieben Sohn, welchen er für uns hingegeben hat zur Erlösung von Sünden, Tod und Teufel. Wer dies mit Ernst glaubt, der kann’s nicht lassen: Er muß fröhlich und mit Lust davon singen und sagen, damit es andere auch hören und herzukommen. Wer aber nicht davon singen und sagen will, das ist ein Zeichen dafür, daß er’s nicht glaubt...’
Maarten Luther
Uit voorrede Geystliche Lieder (Leipzig 1545) van Valentin Babst
Ein feste Burg
Bij de verspreiding van het gedachtegoed van de Reformatie heeft het lied een niet te overschatte rol gespeeld. Het is niet voor niets dat de jezuïet Adam Contzen in 1620 enigszins vertwijfeld opmerkte: “Luthers liederen hebben aan de zielen meer schade aangericht dan al zijn geschriften en redevoeringen.”
Het meest bekende lied van Maarten Luther is ‘Ein feste Burg’, dat hij vermoedelijk rond 1527 schreef. Het gezang is een zogeheten Psalmlied, dat wil zeggen: een nieuwtestamentische herdichting van een psalm uit het Oude Testament. ‘Ein feste Burg’ is een bewerking van Psalm 46, zoals ook uit de oorspronkelijke titel boven het lied blijkt: ‘Der xlvj. Psalm / Deus noster refugium et virtus. Mar. Luth.’ Anders dan de overige vijf Psalmliederen die van Luther bekend zijn, is ‘Ein feste Burg’ een zeer vrije bewerking van de oorspronkelijke psalmtekst.
Er zijn meters boekenplanken te vullen met literatuur over dit lied. Er bestaan dan ook verschillende theorieën over de liedtekst. Zo is wel beweerd dat de vierde strofe niet bij het oorspronkelijke gezang hoort. Luther zou drie coupletten gedicht hebben, waarbij in het eerste en laatst vers gesproken wordt over de ‘alt böse Feind’, terwijl het middelste couplet Christus letterlijk in het middelpunt plaatst. Anderen hebben geponeerd dat de structuur zodanig is dat het eerste en derde couplet als ‘Teufels-Strophen’ gezien moeten worden en het tweede en laatste vers als ‘Christus-Strophen’.
Hoe het ook zij, vast staat dat het lied in de geschiedenis een nadrukkelijk militant, triomfalistisch karakter toegedicht werd. Daarmee is echter geen recht gedaan aan het lied en Luthers’ bedoeling. Het lied zingt niet van strijd, maar van verdediging en bewaring door Christus en over overgave aan Hem. Enkele jaren na het ontstaan van ‘Ein feste Burg’ schrijft Luther in zijn Summarien über die Psalmen und Ursachen des Dolmetschens (1531-1533) dat Psalm 46 een danklied van Israel is voor Gods wonderdaden om de stad Jeruzalem, waar Hij woont, te beschermen en te bewaren. Wij zingen Gods lof omdat ‘er bey uns ist, und sein wort und die Christenheit wunderbarlich erhelt wider die hellischen pforten, widder das wüten aller Teuffel, der Rottergeister, der welt, des fleisches, der sunden, des todes etc.”.
Niet alleen uit de liedtekst zelf, maar ook uit deze exegetische duiding van Psalm 46 kan afgeleid worden dat ‘Ein feste Burg’ zich niet keert tegen specifieke vijanden van de reformatorische beweging, bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk of de (islamitische) Turken die destijds een bedreiging voor Europa vormden. Het lied is een danklied dat Christus beschermt en bewaart tegen het kwaad in het algemeen dat christenen bedreigt, dus ook het kwaad dat in de christenen zélf zit (‘vlees’, ‘wereld’zonde).
Er bestaat een gezangboek uit 1529 waarin boven het gezang de titel ‘Ein Trostlied’ staat. Daarmee is het lied kort en krachtig gekarakteriseerd: de troost dat Christus elke aanval van het kwaad zal weerstaan en zijn volk bij zijn Woord zal bewaren.
Luther dichtte niet alleen liedteksten, maar componeerde ook de bijbehorende melodieën. Diverse Luther-melodieën zijn bewerkingen van middeleeuwse hymnen. De melodie van ‘Ein feste Burg’ heeft Luther echter helemaal nieuw gecomponeerd.De melodie is typerend voor melodieën die Luther maakte bij proclamerende, verkondigende teksten. Karakteristiek zijn de (hoge) korte noten gevolgd door een langere noot waarmee de meeste melodieregels openen. Dit geeft het effect van een trompetstoot. Een ander kenmerk is de toonsoort waarin het lied geschreven is: de ionische modus.
In de zeventiende eeuw verdween het oorspronkelijke en karakteristieke ritme van de melodie: de melodie werd gezongen in een laag tempo waarbij alle noten dezelfde lange waarde hadden. Dit is ook de melodieversie die Johann Sebastian Bach, de grote componist-organist uit de Lutherse traditie, gebruikte in zijn werken. Naast een orgelbewerking componeerde Bach een cantate over ‘Ein fest Burg’ (BWV 80). Deze cantate was – hoe kan het ook anders – bestemd voor het Reformationsfest op 31 oktober. Een eerste versie van de cantate componeerde Bach in 1723, waarbij hij materiaal gebruikte van een cantate die hij in 1715 te Weimar had geschreven. Later, waarschijnlijk ergens tussen 1730 en 1735, maakte Bach een nieuwe versie. Toen schreef hij onder meer een openingskoor dat tot de hoogtepunten uit Bachs vocale oeuvre beschouwd kan worden.
Dr. Jan Smelik
Mit unsrer Macht is nichts getan,
Wir sind gar bald verloren;
Es steit’ für uns der rechte Mann,
Den Gott hat selbst erkoren.
Fragst du, wer der ist?
Er heisst Jesu Christ,
Der Herr Zebaoth,
Und ist kein andrer Gott,
Das Feld muss er behalten.
Und wenn die Welt voll Teufel wär
Und wollt uns gar verschlingen,
So fürchten wir uns nicht so sehr,
Es soll uns doch gelingen.
Der Fürst dieser Welt,
Wie saur er sich stellt,
Tut er uns doch nicht,
Das macht, er ist gericht’,
Ein Wörtlein kann ihn fällen.
Das Wort sie sollen lassen stahn
Und kein’ Dank dazu haben;
Er ist bei uns wohl auf dem Plan
Mit seinem Geist und Gaben.
Nehmen sie den Leib,
Gut, Ehr, Kind und Weib;
Lass fahren dahin,
Sie habens kein’ Gewinn,
Das Reich muß uns doch bleiben.
Video ansehen
Video ansehen